Wat zijn de gevolgen van de aardbevingen in Groningen voor kinderen? Merken zij er iets van of valt het mee? Nadat uit zorgvuldig onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen en de GGD al bleek dat Groningse volwassenen zeker psychische schade en gezondheidsklachten van met name de nasleep van aardbevingen kunnen ervaren, is er op aansporing van de Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer nu ook bij kinderen onderzocht wat de effecten van aardbevingen zijn op het gemoed van kinderen.

Uit haar rapport Vaste Grond Gezocht dat op 18 oktober gepubliceerd werd, blijkt dat ook kinderen wel degelijk te kampen hebben met de effecten van de problematiek in het aardbevingsgebied. De ombudsvrouw constateert dat er (gelukkig) maar een kleine groep kinderen is die echt ernstige problemen ondervindt van aardbevingen, zoals overmatig piekeren, weinig concentratie, slecht slapen en minder goed presteren op school.

Het is geen verrassing dat deze kinderen vaak uit gezinnen komen waarbij de aardbevingsproblematiek een grote impact heeft – zoals meervoudige schade aan het huis en/of sloopwerkzaamheden – waar ook de ouders last van hebben. Ook de onzekerheid over de afhandeling, de vaak lange duur ervan en het wel of niet moeten verhuizen brengen veel overlast met zich mee.

De overgrote meerderheid van de kinderen geeft in eerste instantie aan geen last te hebben van aardbevingen. Pas bij doorvragen komen de zorgen, de sombere toekomstperspectieven en eventuele angsten naar boven. Dit brengt een ander pijnlijk punt naar voren: er is te weinig aandacht voor kinderen en jongeren in het aardbevingsgebied.

Er wordt niet aan hen gevraagd hoe ze zich over de aardbevingen voelen, er is geen beleid op gericht en ook op scholen wordt er geen aandacht aan besteed. Kinderen hebben daarom de neiging om het weg te stoppen. Zoals Kalverboer zelf aangeeft, is daarom niet met zekerheid te zeggen of er echt maar zo’n kleine groep kinderen is die last heeft van de aardbevingen. Voor hetzelfde geld is de groep veel groter, maar zijn zij nog niet opgemerkt.

Práát erover, is dus haar belangrijkste advies. Net doen alsof er niets aan de hand is, werkt nou eenmaal niet bij kinderen. Dat kan thuis, op school of bij hulpinstellingen. Daarnaast doet Kalverboer een oproep aan alle betrokken organisaties in Groningen: zorg ervoor dat je de boel hier goed regelt, want juist de onduidelijkheden over schade, versterking en de lange duur die deze procedures met zich meebrengen, zorgen niet alleen bij volwassenen, maar zeker ook bij kinderen voor problemen.

Een oproep waar wij ons als Groninger Gasberaad alleen maar bij aan kunnen sluiten, natuurlijk. Want ja, het móet hier geregeld. Rapporten als deze leggen bloot dat er naast de eindeloze brei aan bestuurlijke spaghetti ook een taak ligt voor andere organisaties in het aardbevingsgebied.

Hoe kunnen scholen, kerken, gezondheidsinstellingen, werkgevers en maatschappelijke organisaties samen beleid maken dat er puur op gericht is om de burger te helpen? Dat niet een ieder zijn eigen plan trekt, maar er een gezamenlijk plan ligt? Een aanpak waar iedereen wat aan heeft, en dat het soort hulp niet afhankelijk is van de organisatie waar hij of zij aanschuift? Een beleid gericht op de toekomst en op een duurzame oplossing.

Een beleid wellicht dat, zowel voor kinderen als voor volwassenen, breder getrokken wordt dan alleen maar gericht op aardbevingen: er moet in de regio ook voldoende toekomstperspectief zijn. Een zorg die bij kinderen, zeker niet onterecht, herhaaldelijk in dit rapport naar voren komt.