1 juli 2018. Dat is de datum waarop minister Wiebes van KNMI, TNO, NEN en SodM wil weten wat de gevolgen zijn voor de ondergrond wanneer de gaswinning uiterlijk in 2030 naar nul gaat. Blijven er bevingen komen? Hoe staat het met de veiligheid? En, derhalve eigenlijk de belangrijkste vraag: wat moet er met de versterkingsoperatie gebeuren? Het is een fikse klus die de vier partijen te wachten staat. De instellingen hebben nog ruim een maand de tijd voor hun onderzoek terwijl het tot nu toe niemand in al die jaren gelukt is om een eenduidig antwoord op de vraag van Wiebes te vinden. Bovendien moet de Mijnraad uiteindelijk één rapport maken met de bevindingen van alle vier de organisaties. Zullen de instanties het eens worden?

De regio weet ondertussen wel wat het wil: of er nou minder bevingen komen of niet, zomaar stoppen met versterken is geen optie. En dan nog: er is zoiets als bouwkundig versterken, maar ook onze regio heeft een ‘versterking’, een kwaliteitsimpuls, nodig! In die zin is het uitermate spannend wat de uitkomsten van het rapport zullen zijn. Hoe gaat de toekomst van Groningen eruit zien? Wat zijn de scenario’s? Wat gebeurt er met de mensen die al zo lang in onzekerheid zitten, in een onveilig huis wonen? Het wordt een hete zomer.

Afgelopen week werd de brief met vragen die Wiebes aan de onderzoeks- en kennisinstellingen stelt, online gepubliceerd. Hier vallen een paar dingen aan op die we voor u uitlichten.

Op pagina 1 wordt het begrip ‘tijdelijk versterken’ geïntroduceerd. Weliswaar niet letterlijk, maar onderstaande passage laat niets aan de verbeelding over:

“Tot nu toe is de veiligheid steeds beoordeeld op basis van een stationair winningsniveau. Nu gaat het echter om een snel dalend pad, met een ander beoogd winningsniveau in elk afzonderlijk jaar. Dit pad naar “nul” leidt tot nieuwe en andere vragen ten aanzien van de borging van de veiligheid in de tussentijd. Zo wordt belangrijk welke duurzame, maar ook welke eventuele tijdelijke maatregelen nodig zijn — en hoe deze nodige maatregelen in die tussenliggende periode zich verhouden tot het verwachte tijdsbeslag dat gemoeid is met deze versterkingsmaatregelen.”

Ook in de vraagstelling aan TNO en NEN, even verderop in de brief, wordt wel letterlijk gevraagd naar een ‘balans tussen permanente en tijdelijke versterkingsmaatregelen.’ Ziet u het voor zich? Wij niet. We kunnen er veel woorden aan vuil maken, maar verwijzen u graag naar een artikel verderop in deze nieuwsbrief, voor een impressie over het ‘heerlijk wonen in een tijdelijk versterkt huis’. Met tijdelijk versterken is echt niemand in Groningen goed af.

Tot slot lijkt er bij de vraagstelling aan TNO en NEN voorgesorteerd te worden op minder bevingen en daarmee gepaard gaande een andere manier van versterken. Waar bij KNMI en TNO nog gevraagd wordt naar de algemene effecten van minder gaswinning op de bodem, wordt bij de andere twee kennisinstellingen meteen gevraagd naar het effect van een LAGERE seismische dreiging op bouwwerken en daarmee de versterkingsoperatie. Wordt hier dan automatisch vanuit gegaan? Of wordt hiermee onevenredig voorgesorteerd op een andere aanpak van de schadeafhandeling en versterking in Groningen? Liggen de uitkomsten van het onderzoek zo (gedeeltelijk) al vast? We mogen toch hopen van niet.. We blijven het proces voor u volgen!