Bewijsvermoeden – Eerste rechtszaak bewoner-TCMG bij bestuursrechter

Uitspraak
De bestuursrechter heeft geoordeeld dat ‘De mate van zekerheid die de TCMG verlangt voor het bestaan van een andere oorzaak dan gaswinning voldoet aan hetgeen de Hoge Raad daarvoor verlangt. De rechtbank stelt vast dat verweerder (lees TCMG) het bewijsvermoeden in de praktijk zo toepast dat het bewijsvermoeden pas weerlegd is indien er voor de betreffende schade met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning kan worden aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het vaststellen van dit criterium geen afbreuk gedaan aan de waarborg zoals deze door de Hoge Raad intussen is vastgelegd. Gelet hierop mocht verweerder daarom uitgaan van dit criterium.’
Eiser heeft, afgezien van de algemene grond dat er onvoldoende zekerheid is verkregen omtrent de weerlegging van het bewijsvermoeden, geen specifieke aanknopingspunten tegen de juistheid of volledigheid van de bevindingen van Lubbers aangedragen. Eiser heeft ook geen tegenrapport ingediend. Ook uit de bespreking ter zitting van een tweetal schades, te weten schade 3 en schade 25, waarbij de door eiser ter zitting meegebrachte deskundige een aantal kritische kanttekeningen bij het rapport van Lubbers (expert TCMG) heeft gezet, ziet de rechtbank — mede gelet op de reactie daarop door de ter zitting meegenomen deskundigen van verweerder — geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van Lubbers. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank bij het nemen van het bestreden besluit terecht op dit rapport beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank is met dit rapport bewezen dat de genoemde schades niet zijn veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk.’

Deze uitspraak van de bestuursrechter was voor hoogleraar bestuursrecht Herman Bröring aanleiding voor het schrijven van een annotatie. Wij gingen over de rechtszaak met hem in gesprek.

Groninger Gasberaad: Hoe kan het zo zijn dat zelfs de rechter deze bewoner niet in het gelijk stelt tegenover TCMG?
Bröring: ‘Een bestuursrechter oordeelt vooral of de gevolgde procedure juist is en in lijn met wat daarover in wetten of regels is vastgelegd. Hij heeft dus vooral gekeken of TCMG bevoegd is om te besluiten wat ze besluiten en of ze daarbij de procedure juist hebben gevolgd. Dat is juridisch al best een interessante vraag en de rechter heeft daar in de uitspraak ook uitgebreid aandacht aan besteed. Ook is het de vraag of de bestuursrechter wel de juiste is om uitspraak te doen, want er spelen veel civielrechtelijke criteria in deze zaak. Dat is opgelost door een ook een civiele rechter zitting te laten nemen in de meervoudige kamer.’

Groninger Gasberaad: Maar wat heeft de rechter gezegd over de schade aan de woning die TCMG niet wil vergoeden?
Bröring: ‘De rechter heeft geen verstand van bouwen en schade aan huizen. Hij kan dus niet anders dan afgaan op wat deskundigen daarover zeggen. De deskundige van TCMG heeft aangegeven dat voor een aantal schades wel met zekerheid een andere oorzaak dan de gaswinning is aan te wijzen. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat de mate van zekerheid die de TCMG verlangt voor het bestaan van een andere oorzaak dan de gaswinning voldoet aan hetgeen de Hoge Raad daarvoor verlangt en oordeelt dat de TCMG bij het vaststellen van die zekerheid in dit geval ook uit mocht gaan van het oordeel van de deskundige. Omdat de bewoner daar geen oordeel van een andere deskundige tegenover zet, heeft de rechter geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de deskundige van TCMG.’

Groninger Gasberaad: Maar de bewoner is het daar niet mee eens en klopt na drie zienswijzen en een hoorzitting aan bij de bestuursrechter, maar ook die lijkt alleen te luisteren naar wat TCMG inbrengt.
Bröring: Tijdens de zitting heeft TCMG aan de rechter uitgelegd volgens welke instructie de deskundigen werken. De deskundige kan niet volstaan met zeggen dat het niet om bevingsschade gaat, maar moet aangeven waardoor de schades dan wel zijn veroorzaakt en dat ook begrijpelijk uitleggen. Dat heeft de deskundige in dit geval ook gedaan, vindt de rechter. De rechter heeft geen reden aan het oordeel van de deskundige te twijfelen. De Hoge Raad heeft hierover ook opgemerkt dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden.

Groninger Gasberaad: Wat kunnen bewoners dan wel inbrengen tegen de TCMG?
Bröring: Er wordt vaak gesproken van de omkering van de bewijslast, maar in het wetsartikel dat van toepassing is, art. 6:177a van het Burgerlijk Wetboek, gaat het om het bewijsvermoeden, niet om het omkeren van de bewijslast. Het aannemelijk maken van een andere oorzaak voor de schade door TCMG is voldoende.
Het oordeel van deskundigen is daarmee de belangrijkste grond waar een rechter aan kan toetsen. Bewoners die het niet eens zijn met de deskundigen van TCMG/IMG moeten daar dus wel iets tegenoverstellen. Dat hoeft niet heel zwaar te zijn, de plaatselijke glaszetter kan misschien best aangeven dat bij normale slijtage de ramen niet op deze manier condenseren, maar dat ze los in de kozijnen zijn komen te zitten door trillingen. Ik noem maar een voorbeeld, ik heb er ook geen verstand van. Maar je moet de rechter een inhoudelijk, bouwkundig, technisch aanknopingspunt geven tegenover het inhoudelijk, bouwkundig, technisch oordeel van de deskundige van TCMG om het bewijsvermoeden van TCMG te kunnen weerleggen. Dat is in deze zaak niet gebeurd.’

Groninger Gasberaad: Maar dan blijft het dus nog steeds zo dat je als gedupeerde moet opboksen tegen deskundigen en juristen om je schade vergoed te krijgen. Net als toen er nog privaatrechtelijk geprocedeerd moest worden tegen NAM.
Bröring: ‘Je kunt niet van TCMG/IMG verwachten dat ze alle aanvragen voor schadevergoeding zomaar inwilligen en dat is ook niet wat de wetgever voor ogen had. Er hoeft niet langer bewezen te worden dat bodembeweging wordt veroorzaakt door mijnbouw, dat hebben we gewonnen. Maar de tweede causaliteitsvraag: is de schade het gevolg van mijnbouwactiviteiten moet wel worden beantwoord. En ja, deskundigen spelen daarbij een cruciale rol. Die moeten per schade een oordeel geven en in geval van weerlegging van het bewijsvermoeden ook per schade aangeven wat de andere uitsluitende oorzaak is. En daarna is de eiser weer aan zet. Die kan op zijn beurt proberen het weerleggen van het bewijsvermoeden te weerleggen, door concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies aan te dragen. Ook weer per schade. Dat kost tijd en moeite, maar is inderdaad wel wat je moet doen. Alleen het principe van de ‘omgekeerde bewijslast’ inbrengen, is niet voldoende gebleken.

Groninger Gasberaad: Is het nog mogelijk deze uitspraak van de bestuursrechter aan te vechten?
Bröring: Ja, je kunt tegen deze uitspraak in hoger beroep gaan. De vraag is of je dan, terwijl dat in eerste instantie niet is gebeurd alsnog per schade de juistheid of volledigheid van de bevindingen van de deskundige mag aanvechten. Ik vind dat daar zeker in dit geval, omdat het de eerste keer was dat zo’n zaak bij de bestuursrechter speelde, ruimte voor moet zijn.

Delen

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email