Eerste uitspraak in zaak Nijhoff

De rechtbank in Assen heeft gisteren een vonnis uitgesproken in de zaak die Sijbrand Nijhoff tegen de NAM, de Nederlandse Staat, de Maatschap Groningen en Energie Beheer Nederland B.V. (EBN) aan heeft gespannen.Het is een interessant vonnis, voer voor juristen. Maar hoe interessant is het voor alle andere gedupeerden in Groningen? Dat is nog lastig te zeggen.

Nieuw is dat de rechtbank een duidelijke uitspraak doet over de aansprakelijkheid van EBN. EBN is in de ogen van de rechtbank mede exploitant en dus met NAM hoofdelijk aansprakelijk. Maar dat is voor gedupeerden niet direct interessant, dat is iets wat tussen NAM en EBN geregeld moet worden.
De rechter is vooralsnog minder duidelijk over de aansprakelijkheid van de Staat. Die kan niet worden aangemerkt als exploitant maar had wel een verantwoordelijkheid om adequaat op te treden na de beving van Huizinge. Of zij dat ook gedaan heeft wil de rechter nog verder onderzoeken.

De rechtbank neigt, net als de arbiters lijken te doen, naar een bewijsvermoeden. Het is bekend dat in een gebied de bevingen zijn toegenomen, het is bekend dat dat tot schade leidt, het is duidelijk dat de boerderij van Nijhoff in dat gebied ligt. Dus ligt het voor de hand aan te nemen dat er een causaal verband is tussen de bevingen en de schade tenzij duidelijk anders wordt bewezen. En dat vindt de rechtbank vooralsnog niet het geval. Aan beide zijden liggen rapporten, beiden met aannames en inschattingen, beiden relevant met een totaal andere conclusie. De rechtbank wil andere deskundigen laten kijken en kondigt een volgende zitting aan (de comparitie).

Bij die volgende zitting zal de vraag of de staat onrechtmatig heeft gehandeld aan de orde moet komen. De omvang van de schade moet daar nader worden bepaald en, zo staat in het vonnis: “daar zal ook kunnen worden besproken of en hoe NAM en EBN tegenbewijs willen leveren tegen het bewijsvermoeden. Het ligt in de lijn van de verwachtingen dat eventueel tegenbewijs zal moeten bestaan uit een rapport van een of meer door de rechtbank te benoemen deskundigen. De rechtbank zal partijen op de comparitie vragen wie zij als deskundige zouden willen voorstellen en welke vragen zij zouden willen voorleggen aan de deskundige(n).”

Kortom, dit vonnis lijkt perspectief te bieden voor gedupeerden maar helemaal helder is het nog niet. Niet voor Nijhoff, die nog steeds niet weet wanneer en wat hij vergoed gaat krijgen. Maar ook voor de rest van Groningen staan er nog een aantal belangrijke vragen open. Een slag gewonnen, maar de oorlog? Het is te hopen dat NAM, EBN en Staat net zoveel behoefte hebben aan duidelijkheid als  Nijhoff en de rest van Groningen. Maar dan zou het fijn zijn dat de principiële vragen door de rechtbank met een verkorte procedure aan de Hoge Raad worden voorgelegd. En niet via eindeloze, vertraagde (hoger)beroepprocedures. Daarmee zal deze en alle andere zaken verder verzuren en verharden. Alsjeblieft niet.

Het volledige vonnis is hier te lezen.
Comparitie is een term uit het recht. Een comparitie is een verschijning voor het gerecht, een opkomst, een bijeenkomst ter beraadslaging, of een zitting.

In veel rechtszaken wordt als onderdeel van de procedure een speciale rechtszitting gehouden, een comparitie (comparitie = vergelijking). De bedoeling daarvan is meer inlichtingen over de zaak te verkrijgen of te proberen de partijen tot een vergelijk te laten komen. De partijen kunnen dan onder leiding van de rechter of bijvoorbeeld tijdens een schorsing van de zitting proberen tot een schikking te komen. Wanneer de hele procedure is doorlopen en er geen schikking is bereikt wordt er vonnis gewezen door de rechter. Comparitie-zittingen zijn in principe openbaar.

Delen

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email