Persbericht: GBB en Gasberaad presenteren: de contouren van een nieuw schadeprotocol met maatschappelijk draagvlak

Naar aanleiding van de brief van Minister Kamp van 13 april schortte de Maatschappelijke Stuurgroep (GBB en het Gasberaad) het overleg op over een nieuw schadeprotocol.
Om het vertrouwen in een open proces te herstellen is er verkennend overleg geweest. Besloten is dat de Maatschappelijke Stuurgroep in gesprek wil gaan over de uitgangspunten voor een nieuw schadeprotocol. Elke partij brengt uitgangspunten in voor dat gesprek. Dit overleg is de lakmoesproef om te bepalen of het overleg met de NCG en EZ kan leiden tot een schadeprotocol met maatschappelijk draagvlak.

De GBB heeft in samenspraak met het Gasberaad proactief een document gemaakt waarin de contouren worden geschetst van een ‘model’ schadeprotocol. Dit is gebaseerd op de eigen uitgangspunten van de GBB en het Gasberaad voor een schadeprotocol, gericht op maximaal maatschappelijk draagvlak.

Met dit document hopen wij niet alleen de oude NAM benadering (A, B en C schade) maar ook de nieuwe geest uit de fles, de Witteveen en Bos methodiek, uit de gedachten van alle partijen te verdrijven.
Er is een goed alternatief mogelijk! Daar gaat het om.

Het nieuwe schadeprotocol dient volgens de Maatschappelijike Stuurgroep gegrondvest te zijn op drie pijlers:

  1. Rechtvaardige schadebepaling

    De wet (BW) is bepalend. Het wettelijk bewijsvermoeden dient al bij de schade-expert het uitgangspunt te zijn. De aangeboden schadevergoeding dient alle schade-elementen te dekken. Leidend hierin is de wet, artikel 6:177 BW (materieel) en 6:162 BW (immaterieel). Uitgangspunt voor de toerekenbaarheid is het wettelijk bewijsvermoeden, artikel 6:177a lid 1 BW. Juridische causaliteit is doorslaggevend.

  2. Menselijke maat is leidend

    De gedupeerde is een slachtoffer, en moet dienovereenkomstig bejegend en behandeld worden. De ongelijkwaardige positie tussen gedupeerde en verantwoordelijken (NAM en EZ) moet eruit. Gedane beloften van NAM en EZ over ruimhartige vergoeding dienen nagekomen te worden.

Twee voorbeelden ter illustratie:
1e Bij twijfel wordt in het voordeel van de gedupeerde beoordeeld: de staande praktijk van C-schade-beoordeling (er wordt geen direct verband met een recente aardbeving verondersteld) eindigt.
2e Bij calculatie van de materiële schade wordt uitgegaan van een duurzame herstelmethode, met zo mogelijk preventieve werking, die tevens recht doet aan het karakteristiek en het materiaal van het object. Dit betekent dat de bestaande praktijk (de goedkoopste methode eerst aanbieden) wordt beëindigd.

  1. Onafhankelijk

    De schadeafwikkeling wordt geheel onafhankelijk van de verantwoordelijken voor de schade (NAM en EZ). De Maatschappelijke Stuurgroep doet daar concrete voorstellen voor. Een kernpunt is, dat er een onafhankelijke Autoriteit Mijnbouwschade komt. Deze autoriteit is een college waarvan de leden voor 50% benoemd worden door EZ en 50% door de Maatschappelijke Stuurgroep. Beide partijen hebben vetorecht over voorgestelde kandidaten van de ander.

Dit college voert een proces van schadeafhandeling uit waarbij onder andere de volgende items geïmplementeerd zijn: omgekeerde bewijslast als uitgangspunt, deskundige experts, contra- expertise en juridische arbiter.

Nadere invulling van het geheel is een kwestie van goed overleg.

Delen

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email