Ook de afgelopen week is er weer veel te doen geweest rond het gaswinningsdossier. Veel aandacht en “reuring”. Zoals het bezoek van Lodewijk Asscher aan Westerbroek waar hij zijn excuses aanbood aan de Groningers. Maar ook de ‘Groningen bedankt!’ campagne, en in reactie daarop, de actie van RTV Noord waar ze onder het motto “Graag gedaan!” grote projecten in Nederland bezochten, gefinancierd door aardgasbaten. Klapper van de week was toch de uitspraak van de rechter dat NAM óók aansprakelijk is voor de immateriële schade.

Waar leidt dit alles toe? Cynici zullen misschien zeggen: concreet en tastbaar is er nog steeds niets veranderd. Dat klopt. Maar de belangrijkste winstpunten van de afgelopen weken zijn eigenlijk tweeërlei: de ‘mindset’ van Nederland ten aanzien van de gaswinningsproblematiek is beslissend aan het kantelen. Van onwetendheid en onverschilligheid naar onbegrip over de werkelijke ellende (“dit kan toch niet waar zijn?!”) en de overtuiging dat het nu echt moet worden opgelost.

Dat is belangrijk want het tweede wat we zien verschuiven is de (formele) positie van de Staat. Tot dusver slaagde minister Kamp er moeiteloos in om de staat op alle fronten buiten de schot te houden. “De NAM is aansprakelijk, dus de NAM is verantwoordelijk voor de oplossing.” Met andere woorden; het probleem van Groningen was níet het probleem van Nederland, en zeker niet van de Rijksoverheid. Het was het probleem van de NAM. Deze opvatting is onhoudbaar geworden. Niet alleen vanwege de morele druk die steeds groter wordt -dat armpje drukken kan een minister lang volhouden- maar vooral gecombineerd met de rechtelijke uitspraken die ook steeds meer gaan morrelen aan de exclusieve aansprakelijkheid van de NAM. Dát NAM aansprakelijk is, is boven alle twijfel verheven maar dat de staat daardoor geen enkele verantwoordelijkheid meer zou hebben, dat lijkt, ook juridisch, een steeds dunner lijntje te worden.

Ter illustratie een artikel van mr. dr. Van de Bunt. Zij is gepromoveerd op rampenfondsen en heeft gekeken wat de parallellen zijn tussen de situaties waarin de Staat een rampenfonds heeft ingesteld en de situatie in Groningen. Zij komt tot de conclusie dat de situatie in Groningen gekwalificeerd kan worden als een ramp en dat er alleen al om die reden voldoende aanleiding voor de Staat is om een rampenfonds op te richten. Op dat moment was er nog geen sprake van dat het ook om een verplichting zou gaan.

Een alinea uit haar artikel van begin februari:

Ik zie dan ook geen grond voor een plicht van de overheid tot ingrijpen en oprichten van een rampenfonds, zolang de staat niet aansprakelijk is. Is de staat wél aansprakelijk, dan is het standpunt goed verdedigbaar dat de staat de regie moet nemen in de schadeafwikkeling en zich niet meer afzijdig kan houden. De rechtbank Noord-Nederland heeft in oktober geoordeeld dat Energie Beheer Nederland, dat eigendom is van het Ministerie van Economische Zaken, kwalificeert als mede-exploitant in de zin van art. 6:177 lid 2 sub b BW en op die grond risicoaansprakelijk is. Mogelijk is de staat ook op andere gronden aansprakelijk, bijvoorbeeld als vergunningverlener of toezichthouder. Dat zal de rechter uit moeten maken. (volledig artikel verderop in de nieuwsbrief te lezen)

Als we dan kijken naar de uitspraak van de rechtbank van 1 maart dan gebeurt er iets interessants. De rechtbank geeft in haar vonnis aan dat na de beving van Huizinge 2012 er sprake is van toezichtsfalen van de staat waardoor er wel degelijk ook sprake is van aansprakelijkheid.

De rechtbank “… concludeert dat de Staat zijn zorgplicht als bedoeld in 6:162 BW na de beving in Huizinge en het daaropvolgende rapport van SodM onvoldoende heeft ingevuld….”

Dat de Staat in dit vonnis niet aansprakelijk is gesteld voor de immateriële schade komt omdat niet is aangetoond in het proces dat er een causaal verband zou zijn tussen het toezichtsfalen en de (immateriële) schade. Maar dat verband is natuurlijk wel te leggen. En daarmee lijkt ook deze uitspraak weer een stap in de richting van Staatsverantwoordelijkheid.